Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3560

Datum uitspraak2006-02-08
Datum gepubliceerd2006-03-07
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 05/01202
Statusgepubliceerd


Indicatie

De betrokkene was niet op de hoogte van de mogelijkheid om vermindering van griffierecht te vragen. Uit de gedingstukken leidt het hof af dat hij daarvoor in aanmerking zou zijn gekomen, indien hij daarom zou hebben verzocht. Het hof ziet daarom aanleiding om drievierde deel van het door de betrokkene betaalde griffierecht aan hem te restitueren.


Uitspraak

WAHV 05/01202 8 februari 2006 CJIB 60368597 Gerechtshof te Leeuwarden Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam van 24 februari 2005 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 29 oktober 2003 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Blijkens de stukken van het geding is de mededeling van de beschikking van de kantonrechter op 15 maart 2005 verzonden. Het beroepschrift is blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van de rechtbank ingekomen op 20 juli 2005. Het hoger beroep is derhalve niet ingesteld binnen de in art. 26a, eerste lid, WAHV voorgeschreven termijn van twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter. 3.2. Omstandigheden van uitzonderlijke aard op grond waarvan niet-ontvankelijkheid desondanks achterwege dient te blijven zijn gesteld noch gebleken. De betrokkene moet derhalve in het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. 3.3. De betrokkene heeft in hoger beroep het griffierecht ad Euro 103,- betaald. Hij voert aan dat hij de vereiste zekerheidstelling ad Euro 258,19 niet kan voldoen, aangezien hij al jaren moet rondkomen van een Waz-uitkering van netto Euro 597,04 per maand. Daartoe heeft hij een kopie van zijn uitkeringsspecificatie in het geding gebracht. 3.4. Het hof overweegt dat het heffen van griffierecht onder omstandigheden ertoe kan leiden dat voor minder draagkrachtigen een onaanvaardbare beperking ontstaat van het recht op een vrije toegang tot de rechter. Daarom voorziet het in casu toepasselijke art. 18 Wet tarieven in burgerlijke zaken in de mogelijkheid dat voor minder draagkrachtigen het verschuldigde griffierecht voor de helft dan wel voor drievierde deel in debet wordt gesteld, wanneer daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen wordt ingediend. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokkene van deze mogelijkheid op de hoogte was. 3.5. Naar het oordeel van het hof kan op grond van de stukken in het dossier worden beoordeeld dat de betrokkene, gelet op zijn financiƫle omstandigheden, ingevolge art. 18, eerste lid, Wet tarieven in burgerlijke zaken in verbinding met art. 35, derde lid, Wet op de rechtsbijstand in aanmerking zou zijn gekomen voor in debetstelling voor drievierde deel van het verschuldigde griffierecht. In dat geval had hij Euro 25,75 aan griffierecht dienen te voldoen. 3.6. Het hof ziet in voornoemde omstandigheden aanleiding om te bepalen dat drievierde deel van hetgeen door de betrokkene aan griffierecht is betaald aan hem dient te worden vergoed. 4. De beslissing Het gerechtshof: verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep; bepaalt dat drievierde deel van hetgeen door de betrokkene aan griffierecht is betaald, te weten een bedrag van Euro 77,25, door de griffier van de rechtbank Amsterdam aan hem wordt gerestitueerd. Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.